CHRYSANTEN. 181
„ ... Frits .. .*
„Ja?* .
„Wat heb je de chrysanten vreeselijk véél water gegeven!”
„?k Ben niet an de chrysanten geweest,” zei hij strak lezend.
„En de meid zegt* ...
„De meid! Wat de meid?”
„Had dan al de potten voorzien — net die ééne is mal.”
„’k Heb géén van de potten water gegeven,* zei hij nog eens.
Ze keek ’m aan, zweeg. Als ze V op doorging — als ze an z’n woorden twijfelde, werd-ie opvliegend. En nou lóóg-ie toch. Nou loog-ie om ’n kleinigheid. ’r Zwijgen scheen ’m te prikkelen, maakte ’m nerveus.
„’k Zou ’r niet an denken om die leelijke chrysanten water te geven, ’k Vin ze zeldzaam ordinair van kleur. Lisette heeft niet veel smaak.*
„Ach kom — dat zég je maar,” zei ze schamper: „stel je niet zoo an. Je vindt ze net zoo mooi als ik.*
„Nee,” zei-ie: „’k hou héélemaal niet van chrysanten.”
„Zoo,” antwoordde ze, weer zwijgend, langzaam happend.
Hij draaide. Dat méénde-ie niet, dat kön-ie niet meenen. Dat zei-ie enkel om onverschillig te doen en juist dié onverschilligheid wekte ’r, dee 9r opnieuw voelen dat 9r iets was, iets leefde, iets broeide, iets dat ze niet betasten, niet benaderen kon. Gebogen bleef ze over haar bord. Toen kwam de meid ’r eten halen.
„Marie,” zei ze ineens scherp: „waarom heb je me strakjes voor gelogen dat meneer de bloemen heeft water gegeven?”