i8o CHRYSANTEN.
Opgewekt, met honderd lieve voornemens kwam ze thuis. Vanmiddag kreeg-ie ’n gebrajen kip en asperges uit de bus. En dan zou ze ’m anzetten vanavond ’ns gezellig alléén uit te gaan. Ze vertrouwde ’m volkomen. Ze zou ’m toonen dat ze ’m vrijheid liet.
Hij was nog niet thuis. Handigjes ruimden ze de kamer, dee allemaal zacht-vrouwelijke dingskes an z’n schrijfbureau. Toen, bij den bloemenstandaard, voelde ze de aarde van de potten of ze water noodig hadden. Pot voor pot was droog — die van de gele chrysanten drééf. Vreemd — juist diè. Vanmorgen, nog geen drie uur gelejen, was-ie éven vochtig geweest. Nu stond de bak vól. De meid bellen. 9r Hand bij den schelknop aarzelde. Pas had ze zich voorgenomen en alweer zat ze in angstjes en twijfel. Toen schelde ze. ’r Vingers deeën ’t vanzelf — ’t was ’n reflex.
„Heb jij de bloemen water gegeven, Marie ?” „Nee, mevrouw.”
„En de chrysanten zijn kletsnat.”
„Jawel. Natuurlijk, ’k Heb meneer met de karaf bezig gezien.”
„Dat doet meneer toch nooit.”
„As ’k ’t nou toch gezièn heb, mevrouw”... „Goed — goed,” zei ze en neerzittend voor 't raam, trilde ze. Waarom had-ie de chrysanten water gegeven, alleen de chrysanten, juist de chrysanten ? Dat had-ie gedaan — dat had-ie zeker gedaan — omdat-ie dacht dat de pot te droog was — en omdat-ie nieuw was. Nee, nee, nee — ze zou 'r geen wóórd over praten — daar bleef ze bij — dat zette ze zoo pertinent door, als ’k weet niet wat.
Maar toen-ie om één uur kwam koffiedrinken en achter de post zat, die net was gebracht, móést ’t vraagje ’r uit: