176 CHRYSANTEN.
geringste stug en prikkelbaar had gedaan, zoende ze de vriendin op de wangen; „dank je wel voor de chrysanten, Lies-lief, en zoo as je weer vacantie heb, rekenen we op je."
„Dat duurt nog ’n poosje," zei Lisette luchtig: „misschien in geen jaren.”
„Ach kom! Met Paschen zien we je weer — de logeerkamer is voor je besproken — zóóveel heb je niet om handen. — En je weet dat we ’t dolgezellig vinden — dat je heelemaal geen moeite ...."
Ze praatte nog wat voort, de theekopjes bijschuivend, moeite doend om erg hartelijk te schijnen, om de accenten van vroeger, toen ze nog zulke échte vriendinnen waren, te hervinden.
Lisette zat over ’r, luisterde met ’t zélfde blonde, jonge gezicht, ’r Was niets an ’r veranderd en toch stuitte al wat ze sprak, ’r Wrokte iets — V wrevelde ’n ding dat geen bewijzen had, dat onwaar leek, dat niet bestond, nee, onmogelijk kón bestaan en toch alle warme levende hartelijkheid in dood, klankloos gepraat stolde. Vragen, vragen an je liefste vriendin van de meisjes-jaren, flink uit vragen óf V wat was en wat ’r was met Frits, ’r man — dat kon niet —■ dat kwam niet over je lippen — dat was ’n krankzinnigheid — want ’r was niets — ze deeën niet vreemd, niet druk, niet ongewoon met mekaar. Niet één keer had ze hem betrapt op ’n ongepast kijken, op 'n gezegde van bedekte genegenheid. Niet één keer had ze Lisette uit ’r gewone doen gezien. Twee, driemaal, nee ’t waren méér keeren geweest, had ze ze opzettelijk alleen gelaten, had ze an de deur geluisterd, of als ’t stil was snel de deur geopend en nooit, nooit ’n gebaar, ’n houding, ’n verlegenheid. Toch was die ééne week ’n marteling geweest, ’n ophitsing van wantrouwen. Ze vóélde dat die