HANS.
„Wie?” ....
* Val me niet meer in de rede! ’k Weet
dat wat ’k vertellen ga zot is, geen greintje verstand kan verdragen. Luister. En als ’k klaar ben, grinnek dan op je gemak ,...
„In de Kalverstraat stond ze voor ’n winkel, ’s avonds — met ’r vader — ’r vader heeft wit haar en ’n zwarten snor.
’k Heb precies onthouen hóé ze stond, hoe ze ’r dien eersten keer uit zag. Je kunt van die vreemde, sterke indrukken van ’n kleinigheid krijgen, indrukken die je nooit meer vergeet.
't Licht uit de winkelkast scheen op ’r voorhoofd, op ’r blond haar, op ’r mooien neus, op 9r lachende wangen. Romantisch niet? Prachtig van beschrijving niet?
Even moest ’k naast ’r staan, even zag ik ’t kopje van dichtbij.
Toen liep ’k verder. Je ziet méér mooie kopjes en als je lang stil staat in Januari — ’t was zoo wat zes weken gelejen — krijg je kouwe voeten.
’k Ben geen vrouwengek. ’k Hou niet van vrouwen bij de eerste de beste kennismaking. Meestal gelijmde meubelen, die bij ’n kamervuurtje loslaten, ’k Heb te veel van huwelijken om me heen gezien. De gaafste zijn nog wormstekig.”
„O,” interrumpeerde ik: „da’s werkelijk héél lief...” „Je heb gelijk dat je aan de teugels trekt,” zei hij, glimlachend: „’k doe beter voet bij stuk te houen — al hoort ’t ’r bij. Want als 9k 9t zonder meer vertel, lijkt ’t de eerste de beste sentimentaliteit van ’n verliefd jongeling.
’k Ben tienmaal verliefd geweest — driemaal sérieus — ééns geëngageerd.
Over die dingen heb 9k nooit uitgepraat. Jij krijgt 9r de primeur van.