i66 HANS.
te hebben, kalfde ik wederom de deur uit, en was op het punt terug te wandelen, toen ’k toevallig bij het raam waar de wandelaar zat, omkeek en verrast stil stond.
Het had geen haartje gescheeld of ’k was m’n ouden vriend Hans voorbijgeloopen.
„Wat doe jij hier?”, — vroeg ik achter het venster.
Hij keek me — laat ik voor veriatie van ’n ander dier praten — schaapachtig aan, bewoog niet, maakte geen gebaar om me binnen te wenken. Op ’n half uur afstand van Amsterdam, in de waarlijkste eenzaamheid, tegenover een vriènd, doe je een weinig luidruchtiger.
Ongenood betrad ’k opnieuw de gelagkamer, schoof ’n stoel bij, drukte hem de hand.
„Wat doe jij hier?" —, vroeg ’k nog eens, niet snappend wat 9m op kantoortijd uit z’n zaken getrokken had.
„Ik drink 'n kwast,” zei hij, mat.
„Aan ’t wandelen geweest?”
Ja.”
„’t Is waarachtig lente — heb jij ’t ook zoo warm?”
„Nee.”
„Drink je glas leeg en stap mee op.”
„Da’s goed.”
Hij sprak kort en bondig met de zwijgende verzekering, dat ’k ’m bijzonder ongelegen kwam.
Even later beliepen we den weg naar Amsterdam.
Het gesprek vlotte niet.
Op de dingskes die ’k ’m zoo zei, antwoordde-die slaperig, verveeld. Of als ik zweeg, beweerde-die zeurig dat ’t lekker weer — dat de Amstel wel mooi was — en meer van die belangrijke sigaren-winkel-opmerkingen.
Hij zag ’r bleek uit. Z’n gebogen neus scheen