Na ruwe Maart-dagen was de lucht ineens zoo zwoel, zoo enkel lente-geur, dat we met onze winterjas over den arm, vreemdelijk gejaagd door het onrustige om ons heen, den weg naar het Kalfje liepen. Daar in de leege gelagkamer, ver van de roodpuffende kachel, dronken we gekalmeerd een kop koffie.
In den anderen hoek, met den rug naar ons toe, hurkte een onbewegelijke figuur, den kraag om de ooren, den hoed op de haren gesmakt. Een koude wandelaar of zoo.
Bezadigd-slurpend, beluisterend het geluid der musschen buiten, zagen we ’t zilver gekabbel der rivier, ’t buigen en knikklen van het riet bij de oevers.
Levend *t gedoe van je lichaam, ben je op zulk een oogenblik in de meest genoeglijke afdeeling van je bestaantje, nurksch noch onwaar, komedi-anterig noch de marionet van ’n aanstellerig ik-je. Je slurpt koffie, Kalfje’s-koffie met Kalfje’s-melk en kalft (van kalven — kalfde — gekalfd) er natuur-bewonderend op los. Meer en beter gezegd. Feitelijk wou ’k niéts van dien aard zeggen. ?k Ben aan ’t inleiden.
Immers na den eigenaar van het Kalfje betaald