152 MODERN WETER.
„Wat interesseer jij je voor die kaffer,* grinnekte deze: „Piet Slap — enkel Piet Slap.*
Jullie hebt zeker woorden met mekaar gehad, dacht ik — natuurlijk de ouwe kibbelarij en herrie van ’n dorpje. Want al is de tóón van meneer Slap dan niet beminnelijk — hij schijnt z’n zaakjes te weten. En dan kom je er al licht toe ’n beetje pedant te zijn in de buurt van ’n stilstaand plattelands-slootje.
Er werd in dat bitteruur op *t sociëteitje heel wat afgeredeneerd. Meneer Slap bitterde zwaar. Maar hoe licht komt een ontwikkeld man in eenzaamheid tot fouten en excessen? Ontwikkeld was-ie positief.
Praatten de anderen over onnoozele zaken, amuseerden ze mekaar met koffiehuismoppen — Slap zat als een spin in z’n web, sprak ernstig, maar wat-ie zei was doorgaans verstandig. Zoo herinner ’k me dat-ie af en toe wetenschappelijke bijzonderheden lanceerde, die interessant waren. Of-ie ’t dee omdat Falkland — de meneer die in ’t Handelsblad schrijft — in ’t gezelschap zat, of dat ie ’n scherpe bui had — ’k weet ’t niet, maar langzamerhand met mij alleen gebleven, gaf-ie naarmate het gesprek op die dingen kwam, bijzonderheden over landen en volkeren, had-ie ’t over de legende der Amazones, over Aphrodite, de Grieksche godin van liefde en schoonheid, vertelde hij van 't Amsterdamsch Aquarium van de Aquaria in Berlijn, Londen, New-York, zei hij bijzonderheden over Jozef Alberdingk Thijm, geboren in 1820, gestorven in 1889, zoo tot in het oneindige.
„U is zeker onderwijzer hier,* zeide ik eindelijk, verrast door *s mans belezenheid.
„Néé meneer,* antwoordde hij me straf bespiedend achter de glimmende brilleglazeü: ,’k ben maar ’n boertje.*
„Kom!*, lachte ik.