MODERN WETER.
streek z’n beringde hand ’t bitternat van z’n snor en sekuur den kring toesprekend, met ’n stem die stilte gaf, geen tegenspraak duldde, zei-die rustig: „Jullie kléssen. Franz Abt is in achttienhonderd en negentien geboren en in achttienhonderd vijf-en-tachtig gestorven. In ’91 hebben ze pas ’n standbeeld voor ’m opgericht/
„Nou hoor je!*, riep de rijksontvanger.
Het ging als een vonk voorbij. Da’s ’n kalme, knappe vent, dacht ik opnieuw. Waarlijk, hij zei langs z’n neus weg, dingen die ’k absoluut niet wist.
„Wie is die meneer?”, vroeg ’k heel zacht aan den vriend die me in de sociëteit had geïntroduceerd, „’n Kaffer,” zei de vriend plomp.
„En hij...” begon ’k, ongeloovig.
„’n Kaffer,” herhaalde de vrind.
Op ft zelfde oogenblik nam de zwijger-van-straks wéér het woord. Z’n bitterglaasje was her-vuld, z’n zwarte oogen schenen levendiger te worden: „Wat zeit-u ? Nee, da’s nou met uw permissie glad andersom! Néé, meneer de albinos zijn geen volksstam, heelemaal geen volksstam — de a 1 b i n o s die u gezien heit vind je overal, overal.”
„Da’s nièwaar,” opponeerde de rijksontvanger: „ik heb altijd gehoord dat ’t ’n menschenstam in Afrika of zoo iets is.”
„Glad verkeerd,” zei de zwarte geleerde stug: „u weet ’r niks van, nee niks! Je vindt ze overal — ze hebben ’n rooie pupil en kijken’t best als’t schemert. Je heb ’t zelfde bij konijnen en zwaluwen.” „’k Dacht toch positief,” haperde de rijksontvanger. „Néé, meneer!” gromde hij voort ’t laatst.
Hij had geen joviale manier om anderen iets duidelijk te maken, maar in elk geval: hij had gelijk. De vergissing over albinos had ’k meer gehoord. „Hoe heet-ie?”, vroeg ’k wederom aan mijn vriend.