MODERN WETER.
„Woont u hier al lang?” — vroeg ’k, over de hoofden der anderen heen.
„Ja meneer,” knikte-die.
„Nou, ’t is hier héél lief wonen,” zei ik, in den complaisanten toon van ’n sociëteits-gast.
„Nee meneer — ’t is hier héélemaal niet lief wonen,” viel hij dadelijk onaangenaam-hard in. Er was iets van ’n waakhond, die ’t erf tegen vreemde geluiden beblaft, in z’n stem.
„Zoo, vindt u ’t hier niét prettig?”, vroeg-glim-lachte ik, als iemand die óók gezelliger plekjes kende.
„Heelemaal niet!” —, gromde hij.
Te dezer plaatse van mekaars ziele-besnuiving — yt pleegt nu eenmaal over ’t weer, de omgeving, lichaamsongemakjes en meerdere dier ziele-intérieur-schübjes — te beginnen — waar ter wereld zet men de poorten zóó wijd open, dat de eerste de beste overbuurman je schoonste, geniepigste kwaliteiten aanschouwt? — waar vermijden zich lieden, die elkaar voor ’t éérst zien, in stadige, veelsprekende, teedere zwijgenis? — te dezer plaatse van sociëteit-tasting, werd ons vluchtig gepraat door de anderen overschreeuwd, die over muziek schenen te twisten, althans de jeugdige schilder — jaarlijks kwamen er honderden schilders in ’t dorp, die als bijen, op ’t voortreffelijk natuurschoon nederstreken en met kisten natuurschoon — voorzichtig! — droog te bewaren! — ’t stedeke wederom verlieten —, de jeugdige schilder, eenigszins purper door Catz of O r a n j e-b i 11 e r, beweerde driftig dat F r a n z Abt minstens twee eeuwen geleden gestorven was. Of ’t ging om de twee eeuwen of om wat anders laat ’k in ’t midden. Zéker werd ’r over Abt getwist.
Toen nam hij, m’n tafelbuur, de man met het geleerde gelaat, het woord. Kalm sloeg-ie z’n glaasje om, prettig-bewust smakten z’n lippen, gezellig