Toen ’k voor ’t eerst op ’t sociëteitje geïntroduceerd werd, viel hij niet te zeer op. Hij bitterde, las ’t Nieuwsblad voor Nederland.
De anderen praatten, redeneerden, deeën bol-wijs aan politiek — hij las.
Dat wil zeggen: hij las met oogen die ’t gesprek volgden en er boven stonden.
Een verstandige afdeeling van het gezelschap, meende ’k — een die zich een weinig op ’t dorpje verkankert, uit gezelligheidszin mee-bittert, maar zich niet meer geeft dan hóóg-noodig is.
Later, toen-ie klaar was met z’n lektuur, de krant in ’r plooien lei en zwijgend met ernstig geglimmer van z’n brilleglazen te luisteren zat, versterkte-ie den eersten indruk.
Hij had een geleerd, zwart hoofdje, geleerd door de warring der zwarte haren, sérieus door het spitsend baardje, verstandig door de pletting der peinzende lippen. Een onderwijzer of zoo, dacht ’k. Een die de anderen waarneemt. Een gladdekker.
’n Weinig onbehaaglijk door ’t sterke glanzen der brilleglazen — de oogen bleven onzichtbaar — schoof ’k op zijde, op mijn beurt pogend te obser-veeren. De ernstige man met de lichtende glaasjes voor z’n oogen, draaide mee.