VAN DROOG GENOT. 137
Meer comfortabel kon het niet. In het bad had je je hand slechts uit te strekken naar kraan C en alsdan zittend op een keukenstoof, stoof — dat twéémaal stoof klinkt onschoon, maar schijnt in den zinsbouw noodzaaklijk — stoof de regen, de versterkende natuurregen (waarom zijn we den Regen ontvlucht? Lag hij niet in de orde der natuur?) op je neder.
Zondagmorgen werd ’t feest, zette ik — de pluralis majestatis moge achterwege blijven in badaange-legenheden — voor ’t eerst op de stoof gezeten, de hand aan kraan C. En met malsche stralen, sputterend en persend kwam het water af. Om te zoenen. Om te aanbidden, ’k At tweemaal zooveel, schreef tweemaal zooveel. Als dat zoo door ging, haalde ’k de douche-onkosten ’r gauw met de pen uit. Alle bezoekers moesten onze badkamer, onze douche zien werken. Ze vonden ’t 'n pracht van ’n inrichting voor dié plaats.
„Alleen niet te veel op je h o o f d laten spuiten”, zei de dokter: „da’s niét goed — je goed nawrijven en in beweging blijven”.
Het was een Zondag in ons leven.
Het was een Zondag met een teeken. Want elk bereikt ding is, om het weer schóón en scheurkalenderachtig uit te drukken, een mijlpaal van je levenspad.
Den volgenden dag, Maandag natuurlijk, zette ik mij wederom op de stoof in het bad, draaide als een machinist op ’n locomotief aan kraan C, boog ’t hoofd, ingevolge ’t medisch advies, perste de lippen om de kou te ondergaan. Even vielen ’n paar druppels op m’n rug, toen begon de douche, de langbegeerde, de door ieder bewonderde douche te blazen als een klarinet.
De meid werd öpgeschreeuwd. Wie de hoofdleiding had afgesloten? Niemand.