DE STOEP MET DE GOUDEN EIEREN. 127
’k luierend-rookend van ’n anderhalvekolomsche éigen tooneelcritiek genoot, balanceerde de staaf van de schel ’n paar maal, zonder geluid van de schel zelf. Wie stond ’r nu weer op z’n teenen voor de deur? Ze waren ’r weer. En wéér schuchterde de stem van ’t oudste meisje:
„ ... Meneer — we hebben centen bij u op de stoep gevonden .. .*
„Wèer?” zei ’k, verwonderd: „Hoeveel dan?* „Drie en veertig cente, meneer*...
Ze hield op ’r handvlak ’n kwartje, ’n dubbeltje, acht centen.
„*s Jongen — die zijn niet van mij," zei *k; „heb je al bij de bovenburen aangescheld ?"
„Ja meneer — die hadden niks verloren* ...
„De juffrouw,* verklaarde Maartje nader: „de juffrouw heit de cente in ’r beurs nageteld —maar de juffrouw miste niks” ...
„Nou,” zei ’k, weder denkend aan de Zaterdagsche schoonmaakster, en verkeerd vindend om kinderen drie en veertig centen te laten houden — ’t werd toch versnoept: „geef ze dan maar hier — dan zal ik ze apart leggen en als je soms hoort dat ’n ander ze verloren heeft — haal ze dan maar weer weg” ...
’k Nam de warme geldstukjes, wou de deur sluiten, maar bedenkend hoe aardig en eerlijk ’t van de kleuters was, riep ’k ze terug, gaf ze opnieuw ieder ’n cent. Blij huppelden ze weg en ze nakijkend zag ’k ze 9t snoepwinkeltje ingaan. De schoonmaakster wist niets van drie en veertig centen. Die lachte. Die smeet niet met geld op ’n stoep. Ze kon niet bedenken wie ’t gedaan kon hebben. Korte metten makend gaf ik haar de een en veertig centen, om ’r wat extraas voor te koopen. ’r Werd niet verder over de historie gesproken. Over veertien en drie en veertig centen, op je stoep gevonden, maak je