HET SPOOKGLAS. 117
„U scheelt hoegenaamd niets, mevrouw,” zei de dokter, die ’r van a tot z onderzocht en alle organen patent vond: „u moest ’r eens ’n paar maanden uit."
„Nee dokter," zei tante obstinaat: „als’k sterven moet, wil ’k sterven in ’t huis waar me arme
Bastiaan overleden is ..
„Mevrouw,” zei de dokter ongeduldig: „u stérft niet — u is zoo gezond als u maar wenschen kan" ...
Zij geloofde ’t niet. Als de dokter weg was, probeerde ze mij uit te hooren, wat-ie achter haar rug gezegd had, wat ze mankeerde dat stil gehouden werd, of ze *t an ’t hart of an de nieren had? Als ’k dan lachte en ontkende, zei ze extra-wantrouwig: „ja, ja — hou me ziekte maar stil. Doe maar of je
van niks weet — ’k hou zelf ’n oogie in zeil."
Als ’k met ouwe Mie in de keuken praatte, sloop ze wel eens op de kousen, om *t geheim van ’r ziekte te beluisteren. De dokter, die ’t best vond
om telkens aan te komen, als-ie ’n nood-boodschap kreeg, schreef hoogstens ’n kalmeerend middel voor en omdat ze klaagde dat ze ’s nachts zoo dikwijls met nare droomen wakker werd en dan geen trek had in water, toch dorst had, zei-die glimlachend dat ze dan maar ’n glas melk moest klaarzetten. Dat sloeg in. Neurasthenische menschen houden zich soms allerhardnekkigst aan een onnoozel ding vast. Zoo bevond tante zich plotseling behagelijk met het glas gekookte melk op ’r nachttafeltje. Wel maakte ze me om de haverklap wakker voor ’n droom over zeep (twist), ijzer (armoede), visschen (ziekte), vensterkozijn (list van een lid der familie) — dat laatste benauwde haar danig! —, maar een slok van de melk knapte haar meer op dan tien glazen water.
Op een nacht, toen ze me gruwelijk beangst had met het verzoek om een kleppende deur benee te