Tante Méline, verhaalde het jonge vrouwtje, werd na den dood van oom Bastiaan ziek, bedlegerig. Wat ze scheelde wist de dokter niet, wist zij niet, wisten wij niet — wij, de oude meid, ik, ’t achternichtje. Toen oom nog welvarend was, kwam ’k zelden aan huis. Oom zei dikwijls ronduit, wat tante d’r óógen zeien — dat de belangstellende visites van nichtjes en achternichtjes ’m geen zier interesseerden, dat-ie wel wist dat niemand naar ’m zou omkijken, als ze geen cent bezaten. Misschien had-ie wel gelijk, want ’t was ’n corvée ’t zure kwaadspreken over God en de wereld aan te hooren, als je ’ns per ongeluk aanwipte. Oom en tante harmonieerden. Ze gingen met geen levende ziel om, bemoeiden zich met niemand* hielden geen kat, geen kanarie. Wat 'r precies in hun leven gebeurd was, wat ze zoo zonder-ling-spijtig, wantrouwend gemaakt had, weet ’k nog niet. Liefst zaten ze met d’r tweeën in de huiskamer van ’t holle, ouderwetsche, koude huis en onttakelden buren, vrienden, kennissen, familie. In d’r vroege huwelijk waren ’n jongen en ’n meisje gestorven — de portretten hingen in de goeie kamer. Ze hadden daar veel van geweten.
Maar alle verdriet houdt ééns op. Bij oom en
SCHBTBBW FALKLAND. X. 8