112 OUD-HOLLANDSCHE BARER.
„Wel u is pas voor de vierde keer negentien minuten op ’n plaats, die ’k niet noemen wil, gebleven” ...
Het gesprek nam geen esthetische wending.
Thans, zonder glimlach, voor ’t eerst vijandig, keek ze me aan.
... Kijk u altijd op uw horolozie as iemand ’n kleine doet?*, vroeg ze spijtig: Je zou je op die manier sjeneeren* ....
„Nee,” zei ik dom-nijdig: „maar als u zoo óngezond blijft, zal ’k den dokter voor u laten komen.”
„Hoe dorst je!*, zei m’n vrouw angstig, toen ’k oververtelde.
Na dien korten strijd, bleef de baker mokken. Ze sprak geen woord met ons, geeuwde, haalde 's morgens ’r schade in bij de meid. Die ging ze helpen om aardappelen te schillen, ofschoon ze nóóit zulke dingen in ’n netten, deftigen dienst dee. Over eiken aardappel dee ze *n kwartier. Ze schilde voor vier menschen van negen tot half een, gaf de meid raad, zei dat ze in de stad viermaal hooger loon betaalden, stookte ’r zoo op, dat m’n vrouw, die de meid wèl andorst, ’r plotseling congé gaf. Toen maakte de weduwe Goedhard op ’n wandeling naar de kerk kennis met de boerin-baker-schoonmaakster, die vroeger bij ons geweest was en twee dagen later hoorden we in den kruidenierswinkel dat we onze baker niet te eten gaven.
Beste menschen, we hebben V tóch vièr weken gehouden, ’r toen betaald omdat ze bij ’n andere dame contract had — en eerst vijf weken later kwam onze dochter....
Nee, jullie gruwelverhalen, zijn water en pap....
Zuchtend her-nam Barend de hand van z’n vrouw,
25 April 1903.