OUD-HOLLANDSCHE BAKER. 109
„O ja,” beaamde ik.”
„Dan de fooi van ’t naveltje,” knikte ze, wijs bezonnen van houding: „èn ’t doopgeld — bij menschen die d’r engeltjes niet laten doopen, ga ’k niet bakeren — èn natuurlijk de ruime fooi op de negende dag èn de doeseirs van de familie en vrinden, die op visite komen — da’s allemaal usansche” ...
Omdat we in ’t afgelegen dorpje heel weinig visite wachtten en enkel me vrouw’s vader nog in leven was, accordeerden we dat ik haar dertig gulden fooi, alles en alles, garandeerde. In ieder geval was ze dus van zestig gulden zeker, ’k Betaalde haar zeven gulden vijftig goospenning en toen ze weg was danste ik uitgelaten de kamer rond, zooals menig vader in analoge omstandigheden doet, en samen galmden we uitbundig:
Al wie ’t kindje zijn luiertjes vouwt,
Leven ze lang dan worden ze oud,
En ze zullen te bruiloft komen,
Als ons klein kindje trouwt....
Men moet nimmer in ’t leven uitbundig doen. Dit alles is slechts inleiding tot de folterkamer-geschie-denis die bij jullie serie aansluit.
Den éérsten Augustus zond ’k ’n rijtuig naar de stad om de weduwe Goedhard te halen. Omdat ’n baker ’n v e r s c h ij n i n g in je leven is, voor wie niks te goed mag zijn, omdat ’n baker meeproeft, meesnoept, mee-eet van alles wat de kraamvrouw gebruikt, lieten we de logeerkamer voor V vernieuwen, ’n versch behangetje, ’n nieuw bed — alles prima verzorgd, om geen napraat in andere huishoudens te hebben — ze zeggen dat ’t gebeurt.
Weduwe Goedhard verscheen met ’r valies. Ze trok *r pantoffels aan, begon door ’t huis te loopen als ’n loerende poes zoo onhoorbaar.