OUD-HOLLANDSCHE BAKER, iof
tot we een voorloopige greep deden en de gelukkige gebeurtenis op begin of midden Augustus vaststelden. Als jullie nu even onthoudt dat we in een gat woonden, dat de naaste stad een uur ver lei, dat ’t dorpje maar één boerin-baker bezat, die vróéger bij ons als schoonmaakster diende en vriendelijk weggestuurd was — in ’n dorpje maak je nooit herrie — omdat de jampot waarmee we anders ’n maand deden, in twee schoonmaakdagen leeg was, de suiker met ponden verdween, de thee zonderling verdampte — als je die gegevens compileert, dan zul je begrijpen dat eene juiste taxatie van het groote tijdstip noodzakelijk was. We moesten een baker uit de stad laten komen voor de heele maand Augustus. En omdat bakers zoo bezet zijn als ’n gezocht medicus, dienden we in Juni eene advertentie te plaatsen. M’n vrouw, allergelukkigst, niewaar Mien?, met het niet meer gedroomde, m’n vrouw, die telkens de kaart lei of ’t ’n jongen of ’n meisje zou zijn, m’n vrouw wou geen verpleegster. O, nee, redeneerde ze: zoo’n juffrouw in de rouw — da’s net of je doodziek ben — en dan, zei ze vooral met nadruk — weet je 't nog, Mien? — ’n verpleegster kan je niet met ’n kindje in de dorpsstraat op en neer laten loopen — dat doet geen verpleegster — en als ze ’t doet, begrijpen de menschen van ’t dorp ’r geen sikkepit van: nee, Barend, we moeten ’n echte, deftige ouwerwetsche baker hebben, zooals ma ’r vroeger een had, ’n baker met 'n neepjesmuts, hè? Goed, ik plaatste een annonce, kreeg twee dozijn antwoorden. Op goed geluk pikte ik er een uit met den gezelligsten naam. ’n Klank doet zoo’n boel. Onze baker heette Weduwe Goedhard met ’n d — ’n naam om te snoepen. Ze had beste getuigen, kwam over om af te spreken. Dat was ’n vreemd, prachtig, benauwend uurtje — vreemd