io6 O UD-HOLLANDSCHE BAKER.
„Dank je,” zei-die rustig: „’k was net 't begin van me zin vergeten — nou juist in die pas-ge-trouwde-menschen stemming — we kirden na vier jaar nog net zoo ijverig als in de eerste dagen — kwam de gróóte verrassing. In 'n roman of novelle lees je dat de jonge vrouw blozend 'r man iets in de ooren fluistert....”
„Barend!”, interrumpeerde z’n vrouw.
„ ... De mijne,” vervolgde hij: „fluisterde niks, lispelde niks, zei niks, riep niks — ze ging mee naar Carré, mee naar dineetjes, mee naar gezellige pretjes. Maar teruggekeerd in ons gat, in ’t eentonig, sullig dorpje, dat aan geen spoor en geen tram lag, moest de dokter-huisvriend komen en die, even verbaasd als wij, sprak het eerst het rijmpje, dat ik nooit meer zal vergeten:
Toen kindje op de wereld kwam,
AI uit zijn donker hoekje,
Toen dronken de vrienden wijnkandeel En ze wonden ’t in een doekje.
Baker, baker, rep je wat!
Dat ons kindje geen kou en vat.......
Ja, ja. ’t Gaf ’n razenden omkeer. Onze heerlijke dochter, die nu drie jaar is en op ’t moment als 'n roos in ’r bedje slaapt, kan nooit de zorgen benaderen, die ze speciaal in de eerste èn laatste weken veroorzaakt heeft.
„Wanneer denkt u, dokter?* — vroeg ik, bedrukt, gelukkig, ongeloovig, verontrust, kortom in ’n allegaartje van emoties: „wanneer denkt u dat we ons kindje” — 't was nog zoo raar ’t woord te gebruiken — „mogen verwachten?”
„Tja,” zei hij, diepzinnig en geleerd z’n kin bestrijkend: „wanneer denkt ü ’t?”
Hij herhaalde mijn vraag. We waren in een impasse. We redeneerden, telden de volle manen,