GRA UWE DOMPER. 101
De kurkige lippen, straks nog in purpren gezondheid voor den spiegel, de lippen die geglimlacht, gespeeld hadden bij ’t sieren der kuif, bewogen traag en aemechtig. Langzaam, paisibel van kluk-kluk kroop de melk in den mond, siepend met een strooprig straaltje de kin langs op den fichu, van den fichu in ’t zijden kuiltje van den schoot.
„Helpt ’t! Verzacht ’t!”, — vroeg Jans.
„O! O! Nee!” klaagde tante: — „’k heb ’t zoo gruwelijk benauwd.”
Ze was waarlijk ziek. ’t Angstzweet beperrelde ’r voorhoofd, ’r oogen stonden verfletst. Bruiloft, nichie Charlotte, den door en door netten dokter-in-de-letteren uit Groningen, ’t wachtend diner met de verrassinkjes, alles was uit ’r hoofd geslagen. Het was alsof de beestige, martelende schrik van het doodskoppen-goedje, het jammerlijk fleschje met ’t grijnzend gebeente, ’r hersenpan luchtledig had geschokt. Ze dacht niet, wist niet, voelde niet. ’r Schroefde ’n krop van allerbenauwendst ontzetten in 9r keel. Vaag, als in angstdroom, zag ze alleen het nattig etiket op ’t tafelkleed, ’t etiket met de schilvers.... ’t sater-lachend kopje. Zóó had de doodschrik ’r verlamd, zoo wèg was ze van al aardsch, ijdel, heengaand gedoe, dat ze de melk niet gevoelde, de melk die droop langs ’r mondhoek en smerige vlekken teerde op ’t allerkostbaarste — zóó klam van angsten hing ze achterover, dat toen de schel haastig luidde, de dokter, de broer, de bruigom met treden gelijk de trap bestoven, ,r arm hoofd zooveel smartebezoeking niet wederstond, en ze in lijkkleurige bezwijming van den stoel op ’t tijgervel gleed. Dusdanig vonden ze ’r, bleek als een doode, bewust-loos, in mèlk, de schoongevormde kuif nattig-verslonst — op het tijgervel. De tijgerkop naast haar slappe, schijnbaar verstijfde hand....