102 GRAUWE DOMPER.
„Niets als boorwater,” zei de dokter verbaasd.
„Tante, tante — hoe kon u daar flauw van vallen,” zei de bruigom.
Tante kwam zachtekens bij. Eerst wou, kón ze ’t niet gelooven. Ze was wee geworden en koud.
’r Voeten leken te versteenen — in ’r handen had ze geen gevoel meer gehad, ’r Maag had gebrand. 9r Tong was zoo akelig zwaar geweest, zoo loom.
„Niets als boorwater,” herhaalde de dokter glimlachend: „u is ’n heel-erg zenuw-menschje en al botaniseerend heeft u teveel gehoord van vergiften” ...
Tante herleefde. Ze herleefde, begon te snikken. Van den dood èpgekomen, had ze geen lust te bruiloften, o néé — en de japon, de bedorven japon — en ’r haar dat ze opnieuw moest kappen — en ’r maag die van streek was door de kan melk.
Toen — terwijl de heeren in de huiskamer wachtten — nasnikkend, ondersteboven, geholpen door Jans, lei ze opnieuw ’t ijzer in, knikkende distels, bloeikatjes, groote klissen, parelgras, vossestaarten, pauwegerst krullend. Op 9r ontdaan gelaat lei 't potje crème Simon, a la glycerine, sans rivale pour Thygiène de la peau, versche blosjes, rozige perzikkleurtjes. En omdat ’t met de japon van de fransche naaister uit Rotterdam, de half-bedorven japon waarin ze doodssensatie doorleefd had, niet ging, trok ze triestig ’t morgentoilet van marine blauw cheviot aan, 9t in ieder geval keurig kostuum met de zwartzijden soutaches en den schouderkraag van imitatie guipure met de picots en gehaakte rozetten. Bij de visch — turbot sauce capres — waren de aardappelen stijf. Niemand klaagde. Want zooals de president van de tafel, oom Karel, terecht zei: „Het past ons in de eerste plaats — en Tc meen dat bruid en bruigom, aan wie ’k anders 9t éérst zou denken, ’t volkomen met me eens zijn —