GRAUWE DOMPER. 99
Tante wankelde. Spraakloos, met bevende, onge-meen-siddrende lippen, zakte ze in den leunstoel bij den voetspiegel, de kreuklooze zij van ?r rok, de schittrende blouse, den fichu-kraag, den volant glad vergetend. ’r Handen wrongen om de dure garneersels èn zijden-geklopte kanten èn plissé-plooien, ’r gelaat blozend van crème Simon (a la glycerine, sans rivale pour Fhygiène de la peau), haar gelaat verscherpte, hoekig van juk, haatlijk van laten-avond-plooi. Dan, simpel, bijna magistraal-van-eenvoud, zei ze moeilijk-ademend.
*’k Ben vergiftigd” ....
„Christenezielen! Vergiftigd !* —, hokte Jans en ouwe trouwe meid-van-intelligentie, meid die tante al jaren diende, stiet ze ruw op de knieën, zocht ’t nat-flapperig etiket dat uit het vergift-sausje, met een bungelend, vergrijzeld schervenprakje, verrees. En terwijl ze ’t al-vervloeiend inkt-opschrift U i tw e n d i g las, dee ’t waarschuwend doodskopje met z’n smerige grijns en pieterig-satanische koloogjes ’t bloed om ’r hart stilstaan.
„Allemachtig! Allemachtigste God!”, heeschte Jans.
Eergister had ze ’t zelfbij den apotheker gehaald — ’n flesschie van dat goed voor de zenuwen èn — èn ’n — *t — ’t flesschie met ander goed voor tante Célestine’s oogen, die tegen den avond wel is gloeiden en pijn deeën.
„Jessis,” zei Jans, haastig opstaand: „hoe komt u in gosnaam daar van te drinken!”
„’k Heb me in de haast — in de haast vergist,” kermde Célestine: „o, o, ’k ben vergiftigd — wat voel ’k me naar — wat voel ’k me akelig” ....
Ze lei achteruit geleund, de oogen verkwijnd als in bezwijming, de haarpennen verduwd, het pas gekweekt voorkuifje zijlings geplet.