GRAUWE DOMPER.... 97
weken en weken gezorgd had, ’n toilet waarvan de zij uit Parijs was gekomen en dat ’n fransche naaister in Rotterdam, naar de laatste modeplaten had geknipt en getailleerd. Alleen de fichu-kraag met volant was ’n pronkstuk, ’n gènöt. Tante Célestine blies voor de laatste maal tegen ’t ijzer en ’t laatst knikkend disteltje, welriekend muskusachtig, zette z’n stekelpluisjes in gelid. Toen lei tante ’t ijzer neer, plofte ’r handen nog eens met malschig beweeg over ’t gefatsoeneerd haar-struik-gewas, dat sierlijk schuimde naar den knoedel met den kam, en ’r hoofdje wrikkend van links naar rechts, coquet en mondjes-trekkend, zag ze dat ’t góéd was, welschapen en mollig. Glimlachend, de gebeurtenissen overpeinzend, de gezellige toespraak van den burgemeester die in rok — o, de burgemeester kon zoo attent zijn, zoo echt charmant en innemend —, die in rok was verschenen en geestig gezinspeeld had op familie-aangelegenheden, op de verhouding van man en vrouw, op de hooge beteekenis van den dag — o, ’n aller-prettigste toespraak! —, glimlachend zinnetjes en woorden herzoekend, trok tante Célestine de statige zijden blouse aan, de blouse die in de taille als gegoten zat — glimlachend begon ze de drie dozijn haakjes in de oogjes te hechten. Zenuwachtiger werk bestond niet. ’t In de puntjes branden van ’t haar echauffeerde, maar de weerbarstige, nieuwe haakjes, als je bijziende was, deden je vingers trillen. Even hapte ze lucht, moe van ’t adem inhouden. ’t Corset was toch behoorlijk geregen. Hoe kwam ’t nou dat ze zooveel moeite had. Haastig schelde ze. Jans moest ’n oogenblikkie helpen, ’t Rijtuig was ’r natuurlijk al. En dathoef-getrap maakte je nerveuzer. Of zoo'n paard nou niet is tien tellen kon stilstaan.
„Janslief,” zei tante Célestine: „je moet me ’n
Schetsen Falklamd. X. 7