96 GRAUWE DOMPER..
hoofdje boog en bewoog voor den spiegel. Ze bekeek zich en face, en profil, lei het ijzer in ’tblauw-bollend spirituslampje, koelde het langs ’n kranten-mepje, beblies het, en ijverig ontgon ze de afdeeling hooischelf der kuif. *r Magere armen, hoekend uit de kanten randen van *t onderlijf, schimden groenbleek in de wazige beslagenheid van den spiegel. Ze was er geëchauffeerd van. De tijd schoot op. Over 'n kwartier kwam ’t rijtuig voor. En ze most nog zoo’n bóél doen — de blouse met al de haken en tressen — de bijouteriekist uit de kast nemen
— ’n tikje odeur — vóóral ’n schoone zakdoek.
*n Zakdoek was iets om te vergeten. Glimlachend wrong ze het heet ijzer om ’n nieuwe verwaaide piek, draaide zoetjes tot ze ’n slier gekronkeld zag als 't versche bloeikatje van ’n tamme kastanje (castanea vulgaris) — tante Célestine, die in 'r vrijen tijd botaniseerde, zag ’t zoodanig — en even in vrindlijke rêverie, dacht ze aan ’t feest, ’t wachtend feest, ’t heerlijk feest, ’t feest-om-te-zoenen van nichie Charlotte, die trouwen ging met dien door endoornetten dokter-in-de-letteren uit Groningen. Ze kreeg natte oogjens als ze dacht an ft stadhuis, an de kerk met de prachtige toespraak van dominee
— nou was 't diner op komst, ’t doddig diner met de leuke speeches en tafelsurprises. 's Morgens, had ze gedragen ’n allereenvoudigst toilet van marine blauw cheviot met 'n licht groene biais van panné en zwart-zijden soutaches. En den schouderkraag van Iersch kantwerk, imitatie guipure, met snoezige geelachtige piqué-bandjes, bewerkte picots en gehaakte rozetten, had iedereen, letterlijk iedereen om te stelen gevonden. Al was ze dik in de veertig, ze was niet van dié afschuwelijke vrouwen, die zich laten hangen als ’r geen man komt. Voor ’t diner had ze natuurlijk ’n ander toilet, een waarvoor ze