Tante Célestine lei de laatste hand aan ’t toilet. Voor den voetspiegel haalde ze het warm ijzer door de verwaaide pieken van het kuifje. Ze deed ’t voorzichtig, met aaiende strijkjes, eerst over randjes van een krant, wachtte rustig tot het papier-gedamp verzwom — dan blies ze nog even, de warmte met ’r lippenpropje taxeerend. De eene haarhelft stond in volle verwarring als een hooischelf in ’t najaar, ruw van pluiskwak en stoppels — de andere, door ’t ijzer getemd, builde als een wollen bouffante met trillerige, zwikkende kurkentrekkers. Waar het ijzer nog niét de jool in ’t kuifje gebarnd had, leek het haar een verregend burgermanstuintje met kniezige grasbandjes en ’n in slijkplasjes geeuwende rhabarberplant, waar het wél en terdege, zonder smeuling of bederf z’n opkikkeringen had verricht, was een heuveltje ontglooid van knikkende distels (Carduüs nu fans), groote klis (Lappe major) knikkend parelgras (Melica nutans), geknikte vos-sestaarten en pauwegerst. Achter deze halve gesoigneerde opbloeiing, verhief zich de reeds volledig gekneede achter-haarberg met de elegant-verduisterde paardehaarprop. Daarin wreed doch glimmend staken de haarkam en de haarpennen. Tante Célestine’s