IDYLLE. 193
„Ret d’r niet op, kindlief! ” — en hij zong-verder:
„Vervrogen zijn nu ar mijn ho-o-o-pen,
„Heraas ik sterref haast van verdrie-ie-ie-iet!
„Waar moet ik nu weer henen rhoopen,
„Heraas ik ster-r-r-rf haast van verdrie-ie-ie-iet!”
Lang zong hij ook niet. Na een half uur moest dikke Saar rusten. Ze huilde haast van moeheiden kortademigheid. Het regende harder. Zakkie’s arm was half-lam van het ophouden der parapluie. Hij werd kregelig, omdat zij zoo klaagde en om z’n natte voeten. Zij liep te blazen, te puffen, te kuchen en de weg was modderig, eindeloos, eindeloos. Nog wou hij het eens probeeren:
„Ik ben in de schaduw gebhoren!
„Rood, wit, brauw, rood, wit brauw!”
Maar het water siepelde uit z’n schoenen en het stortregende, het stortregende op den weg die geen einde nam....
Omdat Saar driemaal onderweg een half uur gerust had, kvyamen ze bij achten in Haarlem, hongerig en doornat. Er ging nog een trein om 8.11 naar Zandvoort die te 8.32 aankwam. Maar ze gingen liever om 8.59 naar Amsterdam terug, waar zij te tien uur een koud souper van brood met pekelvleesch gebruikten.
Drie maanden later zijn ze getrouwd.