192 IDYLLE.
die door den regen van ’s morgens aangenaam modderig was. Saar hield haar Japon hoog-op. Zak-kie liep voorzichtig met z’n arm om haar middel. De lucht was noch altijd grijs, de weg eenzaam. Zakkie voelde zich gelukkig aan de zij van zijn „gerhiefde.” Wat in hem was blijven hangen van liefde in dagbladfeuilletons, maakte hem sentimenteel. Wanneer zou ’t weer gebeuren, dat hij met .z’n „meissie” buiten liep? Was hun begin en einde niet de Breestraat, de Breestraat?
„Zakkie wat bè-je stil?
„Ik stir, kindrief? Ik ben zoo vroorijk dat ’t me stir maakt!” En dadelijk — om te toonen hoe vroo-lijk hij was, begon hij te zingen — te zingen met een schraperig falsetje:
„Ik ben in de schaduw geboren.
„Rood, wit, brauw! Rood, wit, brauw!
„Mijn hartje kan jou toch bekhoren!
„Rood, wit, brauw, rood, wit, brauw!
„En ik bhen in de schaduw gebhoren!
„Rood, wit, brauw, rood, wit brauw !
„En ik bhen in de schaduw gebhoren!
„Rood, wit, brauw, rood, wit, brauw!!!”
Saar lachte zonnige lachjes van onder haar gele jroode rozen. Hij kuste haar. Zij keek hem in de oogen met groote dosis zaligheid, tot ze allebei in een plas trapten, dat de spatten van alle kanten opvlogen. Het begon ook te motregenen. Saar, kortademig klaagde dat ze moe werd,
„We zhijnen d’r dadelijk... ik zhie al de thoren van de kherk!” Om haar af te leiden, zong hij weer:
„Geheer arreen rhoop ik te dwa-a-a-ren.
„Zie mhijn gerhiefde nimmermeer !
„Waar ik steeds gha rhoop ik te ma-a-a-ren.
„’k Zie mijn gerhiefde nimmermeerrrr!”
„Ik kan niet meer!” steunde Saar: me schoene steeke in de modder!”