IDYLLE. 189
neus en rood haar, hield de opkamer en de twee slaapkamers schoon, zorgde voor ontbijt en middagmaal, naaide de afgesprongen knoopen van Zakkie weer aan en hield boek van het ver-kochte-confectie-goed. Saar was weduwe en leelijk. D’r stak dus voor het oog van de wereld niets verkeerds in, dat zij het „jongeluis-huishouden” van Zakkie bestuurde. Saar had twee gebreken: ze was kortademig en ze had een voorliefde voor joodsche woorden. Dat laatste gebrek had Zakkie haar al afgeleerd.
Ze was zelfs zoo voorzichtig geworden, dat ze eens op een wandeling met Zakkie gezegd had: „Meneir
Zakkie lees d’r ’s ’t aanplakbiljet.... ze gewe
van awond: „La reine de Zaterdag” omdat ze Sabbath niet wou uitspreken.
Op ’n Vrijdag-avond, toen Saar weer heerlijke soep met balletjes gekookt had, kreeg Zakkie de ingeving, dat hij z’n heele leven zoo’n soepie moest hebben en vroeg om de hand van Saar. Hierop volgde de smakkende zoen (zie b o v e n) en waren ze geëngageerd.
„Khindrief” — zei Zakkie den volgenden dag: — „ik heb in mhijn bed ’t besruit genhomen om morgen een daghie naar bhuiten te gaan.”
„Zakkie, dat kost zoo’n hoop geld!”
„We zhijnen maar eens de bruid en bruidegom en we khunnen veer doen voor ’n khoop-ie! Rham van me reve wat seg je d’r van?”
Het lam — Zakkie had last met de letter 1 — had er bij slot van rekening niet veel tegen. Ze zaten lang te redeneeren en kwamen tot de conclusie, dat ze Zondag-middag — als je de zaak Zon-dag-morgen ging sluiten, zou het nadeel te groot zijn — naar Zandvoort zouden gaan. Zelfs wilden ze te Zandvoort in een restaurant dineer en.