Een zoen smakte.
De dikke lipjes van Zakkie bedrukten het vlee-zige mondje van Saar.
„Beminde Zaar,” zei Zakkie.
„Geliefde Zakkie,” zei Saar.
Weer smakte een zoen.
Deze reine uiting van liefde vereischt een kleine verklarende ouverture.
Zakkie kwam van Friesland en had in de Bree-straat een kleerenwinkel geopend. Zakkie was klein, spichtig, bleek met veel zomersproeten, kippig, zenuwachtig. Zakkie ging nooit uit. Of als je ’t beter nemen wilt: hij was altijd u!t. Zomer en winter stond hij op z’n stoepie en riep de voorbijgaande boertjes aan: „Heb-ie gheen fhijne jas
noodig? Mot je niks hebbe voor ’n prikkie, voor een bagathel?” Zakkie las op z’n stoep de krant en wipte éénmaal per dag naar de overzij voor een bittertje.
Toen hij z’n zaak in de Breestraat opende, nam Zakkie een huishoudster. Hij spaarde er veel geld mee uit. Saar, een dikke, zwaarlijvige vrouw van over de veertig, erg vet van aanleg, met een wip