DE MAAN BEKLAAGT ZICH. 173
wen, als ze je met rust lieten. Maar ze beschouwen mij als het meest publieke lichaam en dat hangt me de keel uit. Kun jij jaar in, jaar uit ulevellen, bonbons, pateetjes, zoetigheden, likeur, lievighedens verdragen? Lieve hemel ’k ben zoo blasé en ik vind alles zoo banaal! Denk je dat het aangenaam is, altijd geprezen, bezongen, bewierookt te worden ? ’t Moet nu eens uit zijn met de zoetigheid. Ik ben beu van jullie ontboezemingen, beu van jullie maan-gelijkenissen, beu van jullie gesmacht, geklaag, gekijk, gewurm. Laat me met rust! Ik bezing jullie niet, waarom doe je ’t mij ? Wat duivel! Wat...! Alleen inbrekers schelden me bij tijden hartig uit. De andere menschen bezorgen me de tering, vergiftigen me. Als ’k kón zou *k ’t ze wel inpeperen, groen of paars of pompadour verschijnen! Dat houdt geen sterveling uit, al die lyriek!” — Falkland’s vragende oogen animeerden tot voortgang:.. Ja al die lyriek, meneer! Komt ’r dan nooit eens ’n dichter die me uitscheldt, hoont, smaadt, vloekt. Kun je je éen vrouw voorstellen die goed-gehu-meurd blijft als ze eiken dag bezongen, be-sonnet wordt? En zoo gemeen als ze me beliegen! De een z i ng t „Met vreemde flikk’ring dreef de halve maan (’n leugen meneer!) Boven de boomen in de donkre lucht” en verder: „Dwaallichtjes, angstig flikkrend naar de maan”...; ’n ander heeft ’t over: „Zoel-blauwe nacht, vol loof- en roze-aromen, liet maanlicht sneeuwen op mijn liefdepaden”. — Verdraaid, ik, ik-die-bezongen-word, wor er zelf zenuwachtig onder!. .. Noem maar op welke poëet je wil. Bijvoorbeeld, bijvoorbeeld Couperus. Ja man, ik moet wat slikken. Dit is maar éen van zijn orchideetjes:
„De maan, die 11 raaflend wolken juist ontglee, „Dat half als donzen schaüw reeds was vervlogen, «Giet over ’t oord zoo mild een stralenzee.