172 DE MAAN BEKLAAGT ZICH.
gezicht dan gewoonlijk. De maan werd rood van het lachen, sprak:
„Vriend Samuel, geef me een poot kerel! Voor het eerst van mijn oneindige siderische en synodische wentelingen, hoor ik dan eens de stem van een g e-nietbaar individu. Je moet niet denken dat het een plezier is maan te zijn. Als mijn collega’s van Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus enzoovoort, *r net zoo beroerd aan toe zijn als ik, beklaag ik ze deerlijk. Jij hebt me een gelukkig moment bezorgd. Wat zei je ook weer? Saffraangele mummie . .. Parvenu ... Verloopen komiek ... Lamlendig gat in den hemel... Hè, ’t frischt me op als ik je serie herhaal.. . Kerel, kerel, wat ben jij een gezellige vent!... Toen ’k je voor je schrijftafel zag, dacht ik; alweer een, net als de rest... Dank je hoor! Hartelijk dank!” „Wel rare kwibus,” zei Falkland onwillekeurig: „wat heb je? Wat is ’r? Waarvoor dank je?... Kruip liever achter ’n wolk dat ik werken kan!” „Hahaha! Hahaha!,.. Goddelijk! Heerlijk!” — grinnikte de maan: „beste Samuel, toe scheld me een paar uur lang uit, hoe gemeener hoe beter, hoe platter hoe aangenamer, hoe ruwer hoe genietelijker!”
„Vriend,” meende Falkland verbluft: „je verstand is naar de maan! Wat raaskal je? Ik zit dik in mijn werk en die katten en ka. ..”
De maan werd weder van peinzend gehalte, glimlachte op haar afstand van 384000 kilometer en begon verdrietig te klagen:
„ ... Samuel, Samuel, ’k wou dat *k uit mijn lijden was. Ik verveel me afschuwelijk. Primo is het geen pretje altijd om de aarde te draaien in 27 uur en zooveel minuten. Voor mijn part kwam er ’n meteoortje. Maar aan dat gedraai, wen je en ten slotte zou je met zekere gelatenheid je tijd vergeeu-