DE MAAN BEKLAAGT ZICH.
Van de week, een avond van volle maan, meende Falkland aangenaam te zullen arbeiden. De rust was volkomen en de maan scheen zeer lieflijk. Maar een kat of een kater, vlak-bij in een goot begon liederlijk te kermen en een andre kater of kat bliefde accompagnement te geven. Falkland vloekte, schreeuwde kischt! kischt! wierp een leege flesch naar het dak — nutteloos. Als ze éven gezwegen hadden, begonnen ze opnieuw, kermend en krijschend in het maanlicht dat hen maanziekerig maakte. Het was onmogelijk, radicaal-onmogelijk twee woorden te schrijven. Na een kwartier lang gekookt te hebben, blafte Falkland de maan af, zulks lang niet malsch :
„Vervloekte gele bol!” — zei hij vuisten-ballend : „lamlendig gat in den hemel, heb ik niet genoeg aan mijn buren, aan de straatkinderen, aan gerij en gebel overdag? Moet jij met de katten mij den avond verstoren, gruttersgezicht ! bleeke leelijkert! saffraangeele mummie! Parvenu met je gestolen licht! Verloopen komiek! ...
Veel meer zeide Falkland dan hij hier herhaalt of fatsoenshalve herhalen kan. Maar ongeveer halfwege zijn scheldvloek keek hij met een beter