i7o NIRVANA.
— dan rust ze tegen mij — anders rust ze zoo hard op ’t ijzer van het bed...
Zij dacht: is hij óók moe, ook moe — ik ben erg moe — heel erg moe — vreeselijk moe — en we sterven nu — we sterven nu zeker — ik zou nog kunnen opstaan en het raam opschuiven — maar ik doe het niet — doe het niet — doe het niet — want zoo slaap ik in — en dat is wel plezierig — wel plezierig — wel plezierig zoo langzaam weg te knikkelen....
En de geluiden vervaagden in hun hoofd.
Er was nog wel stratendreun en sissend geschuur van messen over zand — en neerklikken van borden die gewasschen werden in een keuken — en flauw rinklen van bellen en fluiten van een gebogen werkenden man, maar zij hoorden het minder, wijd als een grauwe diepte hen overduizelde, diepte waarin zij vergleden zonder houvast.
Zij, schijnbaar ingeslapen, zat met weggezakt hoofd, de blanke, vleezige hals met lichte gorgling er in, — hij, het hoofd in de handen, dieper gebogen, zwaar aadmend scheen naar den grond te kijken.
En de geluiden dreven vager aan, als aarzelingen in diep, vaal grijs.
Op de plaats sloegen twee vrouwen een ganglooper uit, kloppend met rieten klopper en de slaagjes donkerden op tusschen de huizen.
De eene, jong, met paars kleedje en wittullen muts sloeg met jong-sterken arm en de ander hield den looper gespannen. Ergens dreunde een deur dicht.
Er klonk ook zacht fluiten van een werkenden man en flauw sloeg de torenklok het kwartier, kort van spel, over het roezig gegons van de stad.