NIRVANA.
schrapte, een bezem — veel water — glad-schoone, gele steentjes.
Dan zoemde aan het gegons van de straat, zacht van dreun, gelijk, roezerig — en het bellen der tram.
„Wil je naast me komen zitten?” —, vroeg hij lief-teeder, slierend het blond haar tusschen de vingers.
„Nee,” zei ze: „ik zit zoo wel goed — zoo wel heerlijk aan je voeten.”
Hij bukte en ze zoenden elkaar lang en wel iets van huilen kwam over hen, iets om nu maar in elkanders armen uit te snikken en zoo mond op mond, adem in adem te sterven.
Maar te moe en te loom bleef ze zitten op den grond, dicht tegen hem aan, haar wang op zijn knie, gansch onbeweeglijk starend naar den zwarten pot met de aschlaag.
Er kwam iemand de trap op, zwaar van stap, de deur voorbij, het portaal langs en ze luisterden naar een sleutel die het sleutelgat zocht — naar het dichtgaan der deur en het heen-en-weer loopen in de kamer naastan. Maar dan werd het weer stil, sleepte het drensend gezang van een meid, die schijnbaar-ver en dwaas aan leven, begon het eentonig scheurend gespeel van messen die over een plank met zand werden geslepen.
„Vijf uur,” zei hij,
De slagen dreunden langzaam, rustig en het botte gewrijf der messen hield zachtekens aan.
Nu spraken zij in het geheel niet meer.
Zij spraken niet.
De kamer werd van een lichtgrijze mist en zij keken soms naar elkander op, ziende eikaars oogen.
Hij dacht: ik voel nu wel grooter de moeheid, maar ik zal zoo blijven zitten, zóó en slapen gaan