En opgewonden liep hij het trapje op naar het tooneel. Hij had veel succes. Driemaal werd hij teruggeroepen en driemaal reciteerde hij nieuwe moppen. Toen was het gedaan, sprong hij het trapje af, rukte de envelop open.
„Ach lieve God!”, zei hij de handen in ’t haar slaand en met een smak plonsde hij neer op een stoel. Bij de deur was een nieuwsgierig gedrang. Frees, de soubrette, stond in de gang met den regisseur en met Boontje en de dames van het pantomime-gezelschap drongen van achter op.
„Nou wat is ’t?” —, riep Bombag, knipoogend met Boontje: „’n jongen of ’n meissie?”
Piet hield het telegram, half-verfrommeld, in de hand en begon zachtjes te snikken.
„Wat is d’r nou, Piet!”
„Piet mot je nou huilen!”
„Wat staat ’r dan in!”
„Piet! Pie-iet!”
„Mot je nou huilen om ’n kind!”
Er kwam een pijnlijke stilte.
Piet, het hoofd in de armen, onder de vlam van de gaspit, kreunde, zonder opkijken. Boontje keek Bombag aan, verschrikt en Bombag werd luidruchtig van onaangenaam gevoel.
„Wat is d’r nou?” —, vroeg hij opstaand, Piet heen en weer schuddend.
„O! O !” kreunde Piet: „wat ’n slag! wat ’n slag!” „Is je vrouw niet... goed,” informeerde de soubrette hartelijk: „Kom nou Piet!” — en ze nam het telegram uit zijn handen, las voor:
Bevallen van twee gezonde meisjes. Vrouw en kinderen wel.
„Twee rondjes! Twéé rondjes!” lachte de regisseur: „Kom kerel wees wijzer! Mot je daarom huilen!”