SNIJKAMERS. 153
daar zij de oude volksvooroordeelen in de hand werken.” Wanneer ik u, geachte heer, aldus rijkelijk citeer, is het om de lieve lezers een overzicht te geven van het tusschen ons hangend verschil en dit in het bijzonder nu een ongelukkig toeval, bij ingezonden stuk in een der bladen, opnieuw aandacht op de ongerechtigheden der snijkamers vestigt.
Ongerechtigheid, dokter, ongerechtigheid, die mij bijkans verlokt u als vertegenwoordiger der praktisee-rende burgerij te dezer plaatse aan eeuwige schend-paal te nagelen en te beschimpen naar den luim en de woede van het oogenblik. Maar ik ben voornemens u volkomen kalm te executeeren — zoo ik dat kan volhouden.
Ik begin met de feiten te stellen:
i°. In de gasthuizen wordt opgenomen, op kosten van de gemeenschap — wat geen fooi is maar plicht van die gemeenschap, plicht die misschien eerder utiliteits- dan humaniteits-redenen had, wat ik wil laten rusten — een vrouw van de straat. Zij krijgt haar nummer en dient, zelfs in doodelijk stadium tot voorwerp van studie voor meergevorderde studenten. Zoo zulks met gróóten tact geschiedde zou men niet licht er over spreken.
Maar u weet uit ondervinding dat gemoeds- of kieschheids-bezwaren voor nietbetalende patiënten niet zeer hoog gesteld worden en dat menig vrouwelijke en mannelijke zieke met schuwe verbazing en gêne het heerenbezoek met professorale uitlegging óndergaat. Ook behoef ik allerminst, ü in te lichten, over den aard en het wezen der klinieken, waar m. i. het ambtsgeheim geschonden wordt terwille van studee-rende jongelingen, die niet onder ambtseed staan. Is het niet dikwijls gebeurd en gebeurt het nog niet herhaalde malen dat studenten op klinieken, op