Aan Dokter V. de H.
Uw schrijven naar aanleiding der Gids van April trok ten zeerste mijne aandacht. Een jongmensch laat zich in een novelle over de snijkamer aldus uit: „De wetenschap! Ik heb meelij met de vrou-„wen en mannen, die jullie te prepareeren geeft „aan broekjes van het tweede jaar. Ik vind ’t vies „en gemeen en schandelijk dat ’r gesold wordt met „dood vleesch; dat jullie (doctoren) beschikt over „lijken van arme drommels ! En of je lang praat of „kort, ’t is ’n gemeenheid en nèt zoo gemeen is ’t „bedotten van ’n familie, die om ’t lichaam van ’n „doode komt en niet om ’n mishandeld lichaam.” Tegen een dergelijke „ondoordachte” uitlating protesteert u, haalt er de oude quaestie van het al of niet geoorloofde van proefnemingen op levende dieren bij aan, en eindigt met de volkomen duidelijke woorden: „als de wetenschap zich lijken of deelen van lijken toeëigent, doet zij dat in het belang der gemeenschap, niet uit éénig zelfzuchtig doel, en ontwikkelden die hier tegen, in het openbaar, pro-testeeren, handelen, zachtst gesproken, ondoordacht,