BOEREN.
Het verband-leggen had ruim een uur geduurd. Zorgvuldig waren de wonden gewasschen met watten in sublimaat-oplossing gedrenkt en het been rustte nu in windselen van jodoformgaas, watten en zwachtels.
„Haal me nu nog een kom frisch water,” zei de student tot de boerin. Zuur van gezicht liep zij de erf op, uit haar humeur, nijdig omdat hij zoo een drukte maakte van de klieren van Jacob. De tafel was bemorst; wel drie schoone handdoeken had ze moeten geven en een schoon hemd, terwijl Jacob pas verschoond was. Zuur van beweging, zuur van kijken kwam ze terug, de kom half-gevuld. Kalm wiesch de student zijn handen in sublimaat-water en nog eens na met desinfecteerende zeep — — en aldoor morsen daarbij op de tafel... aldoor morsen.
Jacob in de bedstee snikte nog na van zenuwachtigheid, zijn neus afvegend aan een tip van het hemd.
„En nou niét aan het verband komen,” vermaande de student, plassend in de kom: „alles zoo laten zitten tot ik terug kom, hoor je vrouw Blok?”
Stuursch knikte ze ja.