13« LIEFDESGESCHIEDENIS.
met Jkamerverhuurderij aan de geheimzinnige oude juffrouw en aan den gepotlooden smid. De wasch-vrouw zegt dat de man eens kwam opspelen en ze beweert, dat er een ondeugendigheid bestaat tusschen „één hoog” en de smid-intern. Ze heeft gezien „dat ie d’r eens zoende.” Ik vond die onthullingen zeer onzedelijk, maar ik geloof de wasch-vrouw niet. Ze heeft me laatst ook verteld dat het twee huizen verder, bij een commies zoo’n armoedige boel is, dat ze allemaal stukkende, versleten hemden krijgt en nooit een behoorlijk stuk. Ik geloof niet die praatjes over „één hoog.” Maar een mannenhart is alweer zoo, dat als je twijfelen gaat, de „kiemen” van liefde voor de haaien zijn en mijn kiemen waren al zoo mooi in wording door vaatdoek, kam en emmer.
Toen ik eergister, Donderdag, weer wandelde, bleef het raam dicht. „Eén hoog” geneerde zich óf om hetgeen den vorigen avond gebeurd was, óf ze was beleedigd door mijn koelheid. Ik geloof dat dit slot goed is. Want als ze volgehouden had om alles uit het raam te laten vallen, had ik misschien aan ’t kortste eind getrokken. Want een mannenhart is — dit nog tot leering voor vrouwelijke lezers — niet bestand tegen het geduld van een vrouw, als dit zich op zulk een wonderbare wijze openbaart.
Als „twee hoog” en „drie hoog” nu maar niet beginnen!