LIEFDESGESCHIEDENIS. 137
„Wat ’n sonde van me emmer.”
„Moet u laten uitkloppen.”
Dat was ons afscheid.
Woensdagavond, de avond volgende op die ontmoeting, was ik om één uur thuis. De lamp was op. Lou en ik zaten wat te praten. Toen. Toen werd er heftig gescheld aan het bovenhuis. Er werd éénmaal gescheld. Dat is voor „één hoog.” De juffrouw was nog op en trok aan het touwtje. Een vreeselijke herrie volgde. Een man kwam de trap op en vloekte geweldig* Met z’n zware schoenen stampte hij aan tegen de binnendeur, die „één hoog* dadelijk op slot gegooid had. Het heele bovenhuis kwam op stelten. De kerel raasde en schreeuwde. „Eén hoog” had het achter de deur „van wege het schandaal voor de buren” op haar zenuwen, „twee hoog” had het op de zenuwen, vermoedelijk „drie hoog” dito. Dat spektakel duurde tien minuten. Toen kreeg blijkbaar de man van „twee hoog,” de diamantslijper, moed, kwam op de trap van „één hoog” en smeet den dronken razenden kerel van „één hoog” omlaag, tot voor de deur. Nu begon de woesteling tegen de buitendeur te trappen, wat zoo’n geraas in de straat maakte, dat de kruidenier en de waschvrouw, de melkboer en alle andere buren kwamen kijken wat er gebeurde en wat zoolang duurde tot een politie-agent den dronken rakker inrekende.
Den volgenden dag hoorden we van de waschvrouw — nee maar dat mensch weet alles, van de hééle buurt — wat er aan het handje geweest was. De juffrouw van „één hoog” lag „in scheiding.” Ze was getrouwd, maar ging van d’r man af, die aan den drank was. Ze wachtte nu nog maar op „de stukken” en was tusschentijds — in Holland komen die „stukken” zoo gauw niet! — begonnen