132 MARIE T/E.
„Best!... Ik voel me wel thuis hier.... Als figurant was ik toch niks... en hier krijg je wat te doen.” „ ... En ... de santé?* (Met opzet gebruik ik een miserable uitdrukking, vraag het lachend, daar het misschien beter is met zieke menschen te spreken, alsof men van niets weet).
„De santé? ... ’k Heb tweemaal opgegeven, ’t Is maar an één long.”
„En je moeder?”
„Nou die is koest.... Ze neemt alles af an ’t end van de maand... Maar ze weet lekker niks van me drankpersenten. ”
„Krijg je daar dan zóóveel van?”
„Nou .. . licht tien tot twintig pop in de maand!” „Kind. .. wat moet jij dan drinken.”
Dat verwijt prikkelt haar.
Ze wordt bloedrood en wat ze zegt, komt er bits, heftig, kraakhard uit.
„Ja ik drink ... lekker veel!. .. Want ’t kan me niks meer schelen... Ze hebben me laten zitten hier, allemaal, van de kliek, omdat ik in de Nes ben... En me moeder zuigt me uit... En ik ga toch kapot... Want die dokter liègt... Jullie liegen allemaal! De andere long is ook mis... Wat kan ’t jullie verdommen of ik uitstap!... Je zult ’r geen stap minder voor doen... Als ik drink, wil ik ... als ik kapot ga wil ik!... Daar!... Daar! Daar...”