MARIETJE. 131
Maar nu ik begonnen ben moet ik eindigen. Ik ben dan gebleven bij het zeggen, dat zij al lang de tering had.
Die heeft ze nog.
Anders niet.
En haar moeder leeft ook nog en zij is nog altijd in het café-chantant.
Ik heb haar van de week weer gezien. Ze zingt nu drie maanden in de tjingeltangel, drinkt drie maanden mee in de sociëteit. Of ze wat de menschen noemen nog fatsoenlijk is, weet ik niet en ’t kan me niet schelen. Ik geloof, dat dit bijzaak is. Ze gaat gauw dood.
Na twee bloedspuwingen in drie maanden leef je niet lang meer. Wat?
Ze is wat losser geworden. Als ze opkomt lacht ze en de deuntjes, die ze zingt met een geluid van heeschheid, begeleidt ze met slappe gebaartjes. Ze heeft afgekeken van Fransche collega's. Ze is nu gekleed in lichtrood met belegsels van vergulde tiere-letijntjes. En het haar, bruin en lang, hangt neer op de schouders. Het gezichtje dunner en spitser, is altijd rood-aangezet en de oogen, groot-glinsterend, staan in randen van zwarte schmink.
Toen ze gezongen had, kwam ze in de zaal zitten.
„Dag Marietje.”
„Dag mijnheer .... Hé, ik heb u in geen maanden gezien.”
„’k Ga weinig uit.... Wil je wat drinken ?”
„Nee, dank u!”
„Waarom zeg je dat zoo kwaad?”
„Ik wil niets drinken! Ik wil niet altijd van drinken gesproken hebben, als vroegere kennissen hier met me praten.”
„ ... En . .. hoe gaat het met je?”