Ze is zeventien, is slank, heeft bruin haar, blauwe oogen, een kindergezichtje. Ze was vroeger figurante in een klein „theater”. Maar het liep mis met den directeur. Toen werden de figuranten het eerst aan den dijk gezet, daar de overblijvenden zoo goedkoop mogelijk wouen „werken.”
Daar haar vader bij haar geboorte verdwenen was en ze dus — zoo’n „dus” kan van ’n zeldzaam logische kracht zijn — alleen een moeder had en die moeder haar nooit verlangd had, maar moederlijk begon te worden, toen de dochter, zoo flink uit de kluiten geschoten, geld begon in te brengen, was dit — de misse boel van het „theater" — een lamme historie. *n Paar weken liep ze te lanterfanten met vriendinnetjes tot het thuis een hel werd.
„Zeg ’r ’s — mot dat nog langer zoo duren, kale madam! Kuieren en mijn boel opeten! Als dat niet haast gedaan is, kan je wel ophoepelen hoor!” Maar ze hoefde niet op te hoepelen, want nog dienzelfden avond kwam ze in de Nes — ergens in ’n café-chantant te zitten met een vriendinnetje en werd aangesproken door den eigenaar, die afwist van den missen boel aan het „theater” en haar een „engagement” aanbood tegen veertig gulden in de