124 VAN MIEREN
Ik berookte ze, zélfs met slechte boerentabak. Het deerde hen niet. Op de grond, op de kozijnen, in de kast zette ik ledige kogelfleschjes, tellende een dozijn mierenzielen als één zeepbel. Ik ving ze bij massa’s zonder succes. Zij waren in waarheid onver-delgbaar. Ik kocht flikjes om ze te lokken. Zij sleepten de flikjes weg. En altijd door blééf hun nijver gewriemel, hun (haar) geloop in mijn broekspijpen, hun gesnoep. Ten slotte bewijsgeerde ik ze, deelde mijn brood, margarine, kaas en suiker met hen, lette niet meer op hen. Mijn aard is in deze dingen noch woest noch insecten-poeder-achtig.
Nu moet ik u nog vertellen van Gijsje, mijn buurvrouw, die de andere zijde der boerenwoning bewoonde. Ze was lang ziek geweest, den heelen winter door, ook het voorjaar, ’k Zag haar nooifr Maar op een warmen dag kwam zij buiten zitten voor het groene deurtje, dik in de kleeren, bang kou te vatten. Ze was een oude, gebogen boerin, wit van haren, bleek van stadige bedlegerigheid, schuw in het licht van de zon. Het gelaat had veel gleufjes en rimpels langs neus en langs mond, het hoofd kwijnde nog in oververmoeidheid. Zoo ongeveer zag ik haar voor het eerst, een kap over de witte haren, een zwaren wintermantel om de schouders.
„Dag meneer,” knikte ze vriendelijk —, ik zat ook voor mijn deur.
„Dag Gijsje,” zei ik.
„Zou ik geen kou kunnen vatten?” —, vroeg ze bezorgd. Ik, puffend, te benauwd om te werken — de kamer geleek dien dag wel een oven — glimlachte. Ze was vandaag voor het éérst buiten.
Ze had wel gedacht dat ze ’t niet meer zou halen. Al d’r familie was dood, d’r broer en d’r zuster — aan tering.