202 BESJE.
Nou die is broeisch geworden, net toen je zoo wat de koorts kreeg. — Nou en toen — begrijp-ie? — Nou het ze negen kuikes. Vier eieren waren mis — Neem nou ’n stoel en ga buiten zitten!”....
„Ja dat kon 'k wel doen,” tevreden ’t besje zei en voorzichtig an sloffend, bang voor den drempel, droeg ze den rieten tuinstoel tot vlak bij den kloek-ren en weer werom naar de kamer haalde ze 't trijpen stoofie. Want met je voeten op die grond, die grond die altijd dampte en vochtig was — daar kon je rumatiek van krijgen of je had ’s avonds stijve beenen.
De Meizon, glundrend van blijmoedigheid, leek in teergroene sluiers aan de struikjes te hangen.
Schuchter stonden seringen in knop — ja, ’n enkel tuiltje spreidde al open, blank van bloesem en klinkend van geurklank in ’t sappig groen van de blaeren.
Raak op het wuivend beweeg van de plant poeierde licht, de bloesempjes doorblinkend, de taksprieten verwazend als water in stilstand.
Benee, op het donker gekluit van de aarde, kroop het zonnegevlam als stildrijvend schuim, de grasbandjes beklaatrend, met driftiger groen, de kiezels er naast in vlamplasjes doopend.
Ernstiger, wijzer van lange wintergeleef, pluimden de occuba’s met purperen koloogjes en malsche bladkronen.
En ’t klimop langs ’t loodsje kuifde krulkoppig, verwaaid en verplukt.
Besje, de toffelvoeten op ’t trijpen stoofie, ademde moeilijk, alsof ze bedachtzaam lucht hapte, D’r lippen geleken te snuiven, rustig als neusvleugels — de vel-plooien van den hals, trokken, stramden, ontspanden vreemdelijk spelend over den halsdoek.