198 M’N VRIEND EN HET HEMD.
wrong het hemd tot een witte, buikige saucijs.
„Zie je wel dat er geen sop van komt,” zei ik vergenoegd kijkend naar het résidu dat betrekkelijk helder was.
Hij liep naar de alkoof, stortte z’n waterkaraf]e over de saucijs, spoelde degelijk, wrong, spoelde nog eens degelijk, wrong tot de saucijs er van kraakte en geen drupje meer siepelde.
„Zoo,” zuchtte mijn vriend verlucht.
Z’n lange armen zwaaiden het hemd uit dat werkelijk toonbaar en wit was geworden, behalve aan kraag en mouwen, wat ik geen bezwaar vind, daar 1 °. een hemd door niemand g e z i e n wordt — 20. je kraag en mouwen kunt omslaan — 30. overdreven zindelijkheid ridicuul is.
„Zie je,” zei m’n vriend die thans weer de leiding nam: „’n bleek heb ik niet — maar nu zul je eens ondervinden hoe weergaas gauw ’t droog is.”
Hij lei de twee mouwen op den schoorsteenmantel, zette er boeken op. ’t Hemd hing breeduit opzij van de kachel.
„Da’s klaar!”, zuchtte hij: „hè, da’s ’n pak van m’n hart. — Had ik ’t raam opengehouen dan was ’r geen quaestie geweest ’t te drogen èn — ’t roet van den bakker”....
Evenwel — er zijn tegenspoeden in ’1 leven.
Toen-ie mee ging eten bij ’n juffrouw in de Pijp die voor vijftig cent open tafel hield — dien dag was hij mijn gast — was öf de kachel uitgegaan — öf de mouwen hadden geen warmte gehad — óf het azijn-procédé had het drogingsproces tegengehouden.
Heele einden vóelden als klef brood — en speciaal de mouwen leken vooralsnog doorregend.
Toen hing hij het hemd aan twee spijkers in de