196 M'N VRIEND EN HET HEMD.
ik de zaakjes terug te nemen. Nu ben ik een weinig ontriefd — één hemd — drie frontjes — twee paar kousen — de rest heeft zij"....
„’k Zou je ’r wel ’n paar van mij ofïreeren," zei ik eerst nü den ernst der quaestie beseffend: „maar jij ben te lang en ik te kort en te dik” ....
De lange, beenige dichter knikte.
„Nee,* zei hij: „dat zie ik zoo wel. ’k Had ’n hemd van de hospita gegapt — uit d’r kast — toen ze boodschappen dee — daar verdronk ’k in en zulke miserabele mouwtjes* ....
„Koop ’r een," ried ik aan: „voor tachtig cent* — „Toe smijt maar met ’t geld — nee, ik wasch.” Voorzichtig nam hij de borden van de steenen waschkom, roerde met een lepel in een vrij onoogelijke bulten-historie die zwakjes dampte.
„’k Heb ’r me stukkie zeep bij gedaan," expliceerde hij.
„En ’t schuimt niet”....
„Dat komt wel” ....
„’k Geloof dat ’r bleekpoeder bij moet,” veronderstelde ik, mij vaag de klachten herinnerend van diverse huisvrouwen.
„Dat meende ik ook” — zei hij met gerimpeld voorhoofd de bobbels bekijkend: „Keukenzout is óók goed, móét goed zijn” ....
„Keukenzout,” rekende ik: „da’s één atoom natrium en twéé cloor.”
„O zoo,” glimlachte hij: — „düs ik heb me niét vergist — net voor je kwam heb ’k ’r ’t zoutvaatje bijgesmeten” ....
„Héél slim,” zei ik: „zeep en zout bij mekaar!" — Hij schrikte.
„Daar heb ’k niet aan gedacht,” sprak hij ter-neer-geslagen roerend: „da’s waar ook: in zeewater helpt zeep niet” ..,.