i88 OUDE DOOS.
Bukkend om m’n laarzen aan te trekken — waarschijnlijk te vinnig bukkend — hoorde ik tegelijk een benauwd gekraak, alsof iemand ’n vel papier scheurde. De driehoeken, parellelogrammen, segmenten, ellipsen hielden ’t niet uit. Zelfs in ijzergaren no. i is bedrog.
Achterwaarts bewegend naar ’n stoel, zette ik mij neder in bepeinzing, de beenen stram over elkaar geslagen.
„Heb je ’t druk?”, vroeg ik, één laars vastrijgend. „Schikt nog al.”
„Is ’t buiten koud?”
„Pracht weer.”
„Zouen we geen regen krijgen?”
„Regen! Hahaha! Hoe kom je ’r op?”
„’k Zal toch maar 'n regenjas antrekken”.... „Nonsens, ’t Is zoo zacht als in Augustus” — Snel verwisselde ik van been, bewerkte de andere laars.
Terwijl poogde ik het gesprek te rekken. „Feitelijk had ’k nog ’n bóél te schrijven.”
„Dat doe je dan maar als je terug komt. Heb je rheumatiek?”
„Nee,” zei ik stram — kalveroogend naar Lou, die kalveroogend werom keek.
Hoe konden we wisselen? Je bezoekers alleen laten ging niet. Lou zou in de gang de feestbroek kunnen uittrekken en ik ’m daar aantrekken, maar hóé? Je kon toch moeilijk een van beiden in tricot blijven recipieeren. En ’n uitgever, wien je i n v e r-trouwen vertelt dat je maar één dag-broek samen bezit, geef je ’n te grooten voorsprong bij latere onderhandelingen.
Stram bewegend deed ’k m’n boord aan, stram m’n colbert, stram m’n waterproof.
„Je kunt zoo niet in ’n open bakkie rijden,” criti-