186 OUDE DOOS.
De stopnaald pikte er lustig oplos. ’rMoetwel'n vrouwelijke aard in me geschuild hebben, althans ik trachtte de pootige steken in regelmatige evenwijdige lijnen te groepeeren, daarna groepeerde ik er evenwijdig langs Tieen, keek vergenoegd naar de bijna mathematisch-juist gebouwde vierkanten, driehoeken, parallelogrammen, cirkel-segmenten, ellipsen en spinnewebben die over, in en door de scheur, gezellig — als op ’n theetje — krioelden.
Daar deze schoone garen-illustratie zich binnenwaarts (i. e. voeringzijde) bevond, lei ik verheugd mijne naald neder, keerde de pantalon, trok 'm aan, zei vergenoegdèr „ziezoo” tot Lou, die wel wist dat ik het kon, bijgevolg nauwlijks opkeek van z’n studieboek.
Ik werd dikker öf de broek werd nauwer. .
Na iedere, met overleg gepleegde verstelling, scheen zij meer te wringen ter plaatse waar ’n pantalon niét behoort te drukken.
Een gezond lichaam voelt men niet. Een sluitende broek evenmin.
Maar ik kende mijn streepje. Bedaard loopen en niet te ondoordacht bukken. Tegen reflex-bewegin-gen kon zij niet, behoefde zij niet te kunnen, daar ’k voor feestelijke gelegenheden, schouwburgbezoek, diners, Lou’s broek aantrok. Lou en ik hadden er twee, degeen die i k aan had, degeen die h ij aan had.
Het was voldoende,
Goed geteld bezaten we béiden op die wijze een huisbroek en een uitgaansbroek, mits we een van twee thuis bleven óf uitgingen — of ’s avonds te zamen de wegen bewandelden, wétend dat in den avond alle pantalons grauw doen.
Juist had ’k m’n naaigerei in de boekenkast geborgen en ’n pijp gestopt, toen ’r ’n bakje voor de deur stil hield.