OUDE DOOS. 185
boven is ’n vingerhoed ’n overtollige luxe in ’n man-nen-naaidoos, die ’r vrij comme-il-faut en ten zéerste toonbaar uitziet, als ze niet alleen ’n stopnaald maar ook ’n klosje wit èn ’n rolletje zwart garen bevat.
Daar zijn vrouwen die ’r afwijkend over oordeelen, knoopjes verzamelen in diverse doosjes, naalden col-lectioneeren van nummer zooveel tot zooveel, bandjes, haakjes, oogjes, strengetjes, klosjes met kittige sierlijkheid in kneuige loketjes etaleeren, soort bij soort, ras bij ras, clubje bij clubje, ’n Naaidoos lijkt op die wijze op ’n onbehaaglijke coterie, waarmee geen verstandig man — hoe ook zijn politieke overtuiging zij — vrede kan hebben.
’n Vrouw kan minuten-aaneen geduldig, goedmoedig, voorzichtig-puntend en gedwee-instekend met naald en draad zitten tobben, *n Vrouw zal wee-precies ’n onnoodig dun garentje in ’n mismaakt klein oogje willen forceeren, telkens den draad afbijtend en tot een spitsje wriemelend — ’n man gebruikt voor alle verstellingen één dik soort garen (ijzergaren no. 1) en ’n solide, sterke stopnaald.
’t Spaart tijd uit. ’t Sart je geduld niet. ’t Naait minstens even stevig en nimmer raakt-ie zoek. Een mijner vrienden naaide dikwijls met een rijgpen.
Ik — in die lang geleden ongetrouwde dagen — gaf aan ’n stopnaald de voorkeur, ’n beproefde, dikke, stalen stopnaald die door leer, laken, wol, linnen heenpriemde, excellent was voor vuile pijpen en mede diensten bewees als de gaatjes van den gootsteenrooster of het lampegaas verstopt waren.
Lou arbeidde — ik naaide m’n broek, dewelke bij eenige gymnastische oefeningen in het tuintje op de oude plek, de plek die ’k wel tienmaal voorzien had, was losgetornd, ditmaal met een extra vinnige scheur in het goed.