Op ’n middag zat Lou bij z’n botjes in de voorkamer
— ik bij krantjes en paperassen in de achterkamer
— Lou, thans geposeerd geneesheer — ik, de ouwe Samuel Falkland, welbekend.
Het was jàren geleden.
Laten we mekaar góéd begrijpen: ik zeg dit niet om het gebeurde te antidateeren, noch om de schande van het geval zoetlijk te hullen in ’t clair-obscur van herinnering en gestorven tijden (schande blijft schande
— schande is ’n ding als ’n vallende poes) — te drommel, nee ! — het wàs jaren geleden en niet wij hebben het recht het leven uit z’n verband te rukken of een broek anders te beoordeelen dan d’après son date.
Hier evenwel, bega ik de fout van oude romanciers, wier gedachten, helden en heldinnen zóódanig in de eerste hoofdstukken rammelen en cancaneeren, dat in het twee en dertigst chapiter de verwikkeling nóg eens of eerst góed uiteengezet moet worden voor den in moorden, schakingen, graftomben, her-levingen, zwijmelenden of snikkenden lezer,
Resumeeren wij dus kort en bondig dat Lou zat en ik zat.
Hij arbeidde, ik naaide. Zonder vingerhoed.
Met ’n propje papier gaat ’t wèl zoo vlug. Daaren